Home Contact Sitemap familieboom
Hoofdpersonen:
Meer informatie

J.v.Oldenbarneveld_1948a.jpg (17098 bytes)

M.S. Johan van Oldenbarneveld

 

Tekst in geel slaat op informatie/brieven uit latere jaren

Jans op klompen

 

Luijendijk_Klapwijk

1948 Terug naar Sumba

Piet moet alleen vooruit gaan. Hij moet zorgen dat er op Soemba huisvesting beschikbaar is voor het gezin, alvorens de overige familieleden (Jans en Lucie) naar Indi mogen komen. Op basis van een bewijsstuk kan hij dan bij de immigratiedienst in Batavia een nummer krijgen (op 23 april ontvangt hij nummer 8994), waarmee Jans bij een overheidsdienst in Den Haag passage naar Indi kan regelen (maar wel eerst op een wachtlijst).

         Woensdag 17-03-1948: vertrek uit Amsterdam met M.S. Johan van Oldenbarneveld (zie ansichtkaart, ook achterkant).

         Hij deelt een hut met Anton Smits (?); ongeveer 10 jaar jonger. Na een aantal administratieve zaken afgehandeld te hebben neemt hij afscheid van Jans en Lucie. Daarna moet nog een aantal formaliteiten afgehandeld worden. Hij schrijft (18-03): Ik zag jullie samen weggaan. Ik was zo blij dat je om 4 u. niet bij het vertrek was. Dat leek me wanhopig. Hij nam als bagage mee, 1 kist van 6 m3 en 3 van 4 m3.  

         Reis via de Golf van Biscaje, de Middellandse Zee, Port Said (26-03), door Suez Kanaal en de Rode Zee (langs het eiland Perim!), de Indische Oceaan, Sabang (09-04), en de rede van Belawan (10-04).

         Verslag van bezoek aan machinekamer (zie brief 19/23-03-1948)  

         Aankomst in Batavia op 13-04-1948 (zie ook brief 15-04 over zijn reisplanning)

         In Batavia logeert hij in het Zendingshuis, Kwitang 22, bij Ds en Mw Pos. Van Batavia (01-05), via Semarang en Surabaya naar Makassar (05-05 tot 11-05), en vandaar naar Sumba (aankomst op 13-05-1948).

         Vanuit Makassar schrijft hij op 6 mei 1948 dat hij de officile opening van (een zitting van) het regionale parlement heeft meegemaakt en daarna op de soos een receptie bijwoonde. Aan het eind van de receptie sprak een vertegenwoordiger van de Kroon, Hr. Brouwer, over de bevrijding! Daarna werden het Wilhelmus en het Indonesia Raya (!) gespeeld. Tijdens zijn verblijf in Makassar bezoekt hij ook enkele regionale regeringsinstanties. Hij slaagt er in een bedrag van 10.000 gulden los te krijgen voor de rehabilitatie van de huishoudschool op Sumba.

Uitzoeken: waarom en voor wie had Piet officiele stukken nodig om te bewijzen dat bij geen dienst verricht had in het K.N.I.L. of het Nederlandse Leger (zie stukken uit 1948-1957 in archief)

Piet op Sumba (1948): als een vis in het water

Zijn eerste brieven vanuit Soemba vertellen over de vreugde over het weerzien, zijn besef van de nieuwe situatie in relatie met de Sumbanezen, de (mee door hem gestimuleerde) praktische aanpak om vorm te geven aan de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen Nederlanders en Sumbanezen, en zijn enthousiasme voor zijn werk.

Op 18 mei 1948 schrijft hij vanuit Melolo na een gesprek met Ds Dara over samenwerking: Al is er reeds veel bereikt, toch blijkt door het optreden van sommige (Gerard: nederlandse zendings) arbeiders wel eens misverstanden gewekt te worden. Het is nog een zoeken naar de echte, volledige samenwerking. Maar (?) dit merk ik wel: we moeten de Soebanese kerk voor 100% serieux nemen, en volledig ernst maken met de zelfstandigheid, zoals ook in Eindhoven (Gerard: uitspraak van de Synode van de Gereformeerde Kerken bijeen in Eindhoven in 1948) werd gestipuleerd, anders krijgen we niet een goede samenwerking en geen een echt goede arbeid. Dat vergt natuurlijk geloof in het werk van God hier en de macht van zijn Geest, en ook zelfverloochening aan onze zijde! Daar zijn we maar niet zo mee klaar.

Op 29 mei 1948 schrijft hij over de AV. (Gerard: Algemene Vergadering van zendingsarbeiders), waarbij nu ook Sumbanese afgevaardigden als adviserende leden bij bepaalde onderdelen aanwezig zijn. Piet is boos dat Ds Lo Krijger een gemeenschappelijke bidstond geheel in het Nederlands toesprak en zich koloniaal gedroeg. Piet van Berge en hij maakten (schrijft hij in zijn brief) een concept van een accoord van samenwerking tussen Soemb. en Ned. Kerken, in de geest van Eindhoven, ondanks alle verzet van Lo. Het concept was van Piet van Berge en mij samen, en wij kregen gedaan, dat het door ons beiden mocht worden besproken worden met Soemba-Depp. hier. Zo hadden we rustig tijd en hebben we gisteren de hele dag aan deze bespreking met de 3 afgevaardigden besteed. Ik geloof wel dat we een heel stuk verder komen. De A.V. vervalt geheel als bestuurscollege, behoudt alleen een adviserende stem, terwijl de leiding komt in handen van een college van 7 deputaten (4 Soemb. + 3 Ned.) benoemd door de Soembanese Synode en de (Ned.) Zendingssynode, welk college handelt in opdracht van de Soemb. Synode en aan haar verantwoording schuldig is. Er zijn hier vele moeilijke problemen, maar t is een zegen er aan mee te mogen werken.

Vanuit Karoeni schrijft hij op 24 juni 1948 over zijn rondgang langs 3 classes (kerkelijke vergaderingen waarin vertegenwoordigers van alle plaatselijke kerken in een bepaalde regio samenkomen). Nu heb ik 3 classes achter elkaar gehad, Wai Kaboebak, Anakalang, en Wajewa (?) Lauera (?). Overal heb ik ahw (als het ware) mezelf voorgesteld, iets verteld over Holland en de kerken, de nieuwe verhouding (Gerard: tussen de Sumbanese kerk en de Ned. Kerken), en hun gevraagd mij nu in Los plaats (Gerard: Ds Lo Krijger) als adviseur te aanvaarden. Wat overal welwillend is aanvaard, in Anakalang zelfs bijzonder graag. Ze rekenen er daar op, dat we in Anakalang terugkeren! Het werk is wel moeilijk, maar toch erg, erg mooi, moet ik zeggen. Zon classicale vergadering is iets moois op zichzelf. Nu doen zij het, zij het met ons advies, maar t gaat toch heel anders dan vroeger op een goeroe-indjil vergadering (Gerard: vroeger was het bijeenkomst van Sumbanese evangelisten onder leiding van een zendingsarbeider). t Gaat veel en veel beter nu, en ondanks gebreken leeft de zaak absoluut! Ja, er gebeuren hier grote en heerlijke dingen. Even verderop in deze brief schrijft hij dat zijn bewondering en waardering voor het werk van Lo Krijger steeds groeien. Hij heeft prachtig werk gedaan voor de opbouw van de Soemb. kerk, en is voor de opbouw van grote betekenis geweest.

Jans en Lucie komen snel achter Piet aan.

         15-06-1948: vertrek vanuit Amsterdam met Johan van Oldenbarnevelt samen met familie Zwitser.
         10-07-1948: aankomst in Batavia
         17-07-1948: aankomst op Soemba (per vliegtuig!!).

Het leven op Sumba

Ontvangst van een Katoda Marapu Kalada (aanroepplaats van de Grote Marapu) te Wano Mutu, Kalemba Kuni - Lauli Atas, bij Wai Kabubak (West-Sumba, Indonesië) door Piet Luijendijk in 1950. Foto's bij link-pagina of hier opnemen.

 

 

Na een verblijf in Anakalang gingen ze in 1951 (?) naar Karuni, waar Piet docent werd aan de Theologische Opleidingsschool (TOS). De TOS (of Sekolah Guru Indjil) was opgericht op 1 januari 1924! Op deze school werden zgn Guru Indjil opgeleid (Gerard: Guru Indjil betekent letterlijk 'godsdienstleraren'; in de praktijk waren zij werkzaam als hulppredikers en evangelisten). Piet werd geassisteerd door de Jurutulis Elkana.

HUIS IN KARUNI

THEOLOGISCHE OPLEIDINGSSCHOOL IN KARUNI

Ze woonden in een huis (hierboven) met traditioneel voorkomen. Naast het huis lag de school, en daarnaast het internaat.

INTERNAAT IN KARUNI

      

MEISJES BEZIG MET RIJST STAMPEN & WANNEN

Het leven op Sumba was vaak eenvoudig. In 1955 gaf Lucie in een voordracht voor een meisjesclub in Emmen een schets van het leven in Karuni.

Toen Jans enige tijd afwezig was schreef Piet op 18-01-1953: " De keuken heb ik al geregeld: natuurlijk bami met een blik gehakt Onox. Ik heb nu maar eens aan Karadji (Gerard: een van de vrouwelijke bedienden)  gevraagd een klein beetje voor mij apart te maken zonder vet, want ik heb er toch altijd nog al last van. We hebben nu nog maar 2 kleine blikken + 2 grote blikken merk ONOX over, en 2 blikjes Corned Beef. Dus als je nog wat kopen kunt?"

Water was in de droge tijd een groot probleem. De putten raakten dan leeg. Piet schreef (22-09-1958) dat iedere dag een gerobak (Gerard: kar op 2 wielen) getrokken door twee sapis (Gerard: runderen) naar een bron moest om water te halen. De was werd daar ook gespoeld.

Jans schrijft "Alles is droog en de hele padang (Gerard: grasvlakte) zwart gebrand. Met moeite houden we nog wat bloemen in leven. Toch is 't eigenlijk nog te vroeg om al regen te verwachten. Dat kan nog weken duren. Als we nu die twee sapis niet hadden. Er komen juist een hele rij vrouwen langs de weg naar huis met haar twee graafstokken op 't hoofd. De hele dag hebben ze in die gloeiend hete zon gewerkt om weer een nieuwe tuin om te keren. Dan zijn Soembanezen helemaal niet lui. Dan werken ze, denk ik, boven hun kracht. Daar moet wel een tijd van niets doen op volgen."

Zo gauw de regens kwamen hoorde je in Karuni van alle kanten de kikkers kwaken. Jans schreef (7-12-1958) "Je snapt niet waar ze zo gauw vandaan komen."

Jans stond haar mannetje

Als Piet voor enkele dagen op tournee was of elders een kerkelijke vergadering bijwoonde stond Jans er alleen voor. 

In een brief aan Piet d.d. 25 februari 1951 (met aanvullingen geschreven op daarop volgende dagen) beschrijft ze haar belevenissen in Karuni tijdens zijn afwezigheid: 

" 't Regent hier nog steeds. Maar 't heeft 's nachts niet meer zo erg gelekt. Maar wat is 't hier unheimisch. B.r.r. ik moet er niets van hebben. Twee jongens slapen, op mijn verzoek, in de school[1]. Dat maakt me wat rustiger. We zijn niet naar de boot geweest[2]. Zaterdagmorgen was die er al, maar daar hadden we dus niet op gerekend. Ik hoorde wel de fluit maar 't regende zo ontzettend dat er geen beginnen aan was. Bovendien, vertelde Oemboe[3], was er toch zo'n ombak[4] dat niemand naar - of van de boot af, kon komen. 't Speet me wel voor Jits en voor Lucie, niet voor mezelf.......

't Heeft hier Zondag en Maandag nacht zo ontzettend gestormd. 't Was noodweer. Je denkt natuurlijk dat ik erg overdrijf. In ieder geval vond ik 't erg angstig. De ene rumah pandjang[5] die 't dichtst bij ons huis is, was aardig gekraakt. Een paar kaju's[6] stuk en 't geheel nogal scheef. Om 't zaakje te redden heb ik er alle bambu die we hadden aan gewaagd. Ze durfden er zo niet meer in te blijven. De vrouwen en kinderen hebben in Piry's huis geslapen. 'k Heb hout gevraagd bij de klerk om te steunen aan de achterkant. 'k Weet niet of er al is. Er stonden n.l. vroeger al drie tiangs[7] achter, maar die zijn spoorloos verdwenen. 't Is met de behuizing wel. Hoe krijg je daar ooit iets behoorlijks van. Ze houden het deze cursus zeker niet uit, zoals ze nu zijn. Gelukkig is de ergste storm weer wat voorbij. Ook de ergste regen.....

'k Ben zo dankbaar dat het niet meer stormt. 't Lekt nu zo erg in de slaapkamer (na die storm) als 't regent, dat we gescheiden moeten slapen. Bili heeft het grote lek achter de achterdeur al gerepareerd. 't Heeft nog niet geregend nadien dus of 't goed is weet ik nog niet."

De zorg voor de opleiding/opvoeding van jongens en meisjes (anak piara) die in huis waren was een hele last voor Jans. Er waren drie jongens: een voor de paarden, een voor de tuin, en een voor de geiten (belangrijk voor de melk die ze produceerden).

Ook in de tuin stond zij haar mannetje, getuige een foto uit oktober 1956, waarop zij (op klompen!) voorkomt, samen met Piet.

Omgang met andere cultuur

Verjaardag van Lucie (november 1951). Jans schrijft daarover in brief aan Piet, die in Pajeti is:

"Lucie en Mada zijn met de meisjes de gasten wegbrengen n.l.. Lina, Lena en Deppie die hier hebben gegeten. 't Is voor Lucie wel een goede dag geworden geloof ik. Tante Willy[8] , Tine[9] en Bub[10] hadden zelfs een cadeautje gestuurd en de meisjes hier, en Wahi natuurlijk. 't Kon niet op. Ze was heel erg blij met jou boek. En de pop werd natuurlijk door iedereen bewonderd. Vanmorgen zat ik even met het lastige geval dat de hele kerk kwam feliciteren. 'k Kon onmogelijk uitnodigen te gaan zitten want dan hadden we wel naar de kerk mogen gaan om te zitten. 'k Heb toen alle kinderen hun handjes volgestopt met lekkers en de mensen weg geloodst. 'k Voelde wel dat het niet helemaal in orde was maar ik wist niet hoe ik het moest aanpakken om de dag voor de kinderen niet helemaal te bederven. 'k Had namelijk de kumpulan[11] "Imanuel" uitgenodigd op stroop en koekjes. Kana kon niet laten heel gemeen voor alles te bedanken."

Over het omgaan met en begeleiden van vrouwen van studenten (zgn Njora's) aan de TOS schrijft ze op 7 december 1958: 

"Vanmorgen is er weer een Njora met een baby uit 't ziekenhuis thuis gekomen. Wat zijn die kleintjes toch schattig. Ik ben altijd blij als de eerste weken maar weer voorbij zijn. Dan hebben we 't ergste weer gehad. Dan laat ik ze verder er maar een beetje, op hun eigen manier, er mee omgaan. We hebben wel eens gedacht te moeten dwingen in een bepaalde richting. Maar dat doe ik niet meer. Bijv. : de baby in een eigen bedje. We hebben bedjes voor ze, maar ze gebruiken ze niet. Waarom? Ze hebben niet voldoende kleertjes en dekens om 't kindje alleen warm te houden. En meer kunnen ze niet betalen. 't Is lang niet ideaal, maar ik zie geen kans er verandering in te brengen. Trouwens er zijn meer dingen die ik het laatste jaar maar een beetje laat lopen. 'k Ben moe van het vechten tegen verschillende fouten en gebreken. Sudah saja! Zeg ik tegenwoordig wat vaker. 't Is misschien niet goed, maar ik ben vaak te moe om anders te doen."

Over de omgang met de bedienden (de meisjes en jongens) schrijven Piet en Jans in hun rondzendbrief augustus 1969 : " Het viel ons geen moment moeilijk ons weer aan te passen na aankomst op Sumba. Het huishouden liep met de meisjes en jongens nog precies zo als vroeger. Het was gezellig en soms, ook wel gemakkelijk met zoveel hulp, maar de minderwaardigheidsgevoelens waren nog dezelfde. Dus moest je uitkijken, hoe je een standje uitdeelde, anders was de boot aan; en dikwijls kon je maar beter zwijgen en 't zelf verbeteren.

Evenals vroeger zeiden ze pas dat het meel op was, nadat het laatste broodje was gebakken; zout, olie enz, idem dito. De meeste Sumbanezen kijken nog niet ver vooruit; men denkt meestal nog niet in economische termen over tijd, kracht en materiaal. Men maakt plannen, begint aan de uitvoering, maar de moeilijkheden die te verwachten zijn, werden niet voorzien. Dus blijft veel nog weer halverwege onafgewerkt."

Achteraf vond Piet Luijendijk dat zijn/hun manier van werken veel te Nederlands was. Hij zei (in zeventiger jaren): "Als je hoort hoe de kerk nu werkt; ze kunnen veel meer zelf." Ook hadden de Nederlanders onvoldoende zicht op de nationalistische gevoelens van 'hun' Sumbanezen. Zo gingen de leerlingen van de onderwijsopleiding - die gerund werd door Mobach - stiekem het bos in om nationalistische liederen te zingen. Onder hen de latere, bekende predikant Ratubanju.

Elders is meer informatie te vinden over de Sumbanese kerk, hun uitzendperiodes 1954-1959 en 1964-1969 en daarna het 'werk voor Sumba' dat zij in Nederland deden.  


[1] De theologische opleidingsschool TOS.

[2] Vanuit het hooggelegen huis in Karuni was de rede van Waikelo te zien.

[3] Lokale vorst/notabele

[4] Letterlijk 'golf'; bedoeld zal zijn 'hoge golfslag'.

[5] Letterlijk 'lang huis'; bedoeld is waarschijnlijk een groot huis waar leerlingen/studenten en hun gezinnen woonden.

[6] Letterlijk 'hout'; bedoeld zijn houten balken

[7] Palen, steunpilaren, stutten

[8] Willy Kuiper, vrouw van zendingsarts Kuiper

[9] Tine Miedema, onderwijzeres? in zendingsdienst

[10] Bub Brouwer, verpleegkundige in zendingsdienst

[11] groep, club, vereniging