Home Contact Sitemap familieboom
Hoofdpersonen:
Meer informatie

 

 

kaart van Celebes (Sulawesi); linksonder Kampili; links midden Pare-Pare

Jans en Lucie op bevrijdingsdag (xx augustus 1945)

   

Makassar 1946

Piet (1946)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Port Said (Jo Spier)

 

Luijendijk-Klapwijk

De aanloop

In mei 1940 vertrokken Piet en Jans vanuit Anakalang (West Sumba) naar Payeti (Oost Sumba), waar ze in het oude huis van Wielenga gingen wonen (gebouwd in 1928?). Jans herinnerde zich in de negentiger jaren  nog steeds deze tocht. Ze had in de auto de radio op schoot en hoorde over de inval van de Duitsers in Nederland.

Op 19 juli 1940 schrijven Vader en Moeder Klapwijk vanuit Berkel nog een brief aan Piet en Jans (let op deze volgorde; verder valt op dat ze in deze brief aangesproken worden met 'u').  Twee eerdere brieven zijn blijkbaar niet aangekomen (of niet bewaard gebleven). In ieder geval hebben ze geen reactie van Piet en Jans ontvangen. Ze melden dat allen het redelijk goed maken. Veel bussen en treinen rijden nog niet geregeld. Voor meerdere goederen is distributie ingevoerd. Omdat de invoer van grondstoffen en voedingsmiddelen uit het buitenland geheel stil staat verwachten zij dat 't in de komende winter misschien niet zal meevallen. De zomer was prachtig en groeizaam. Het grootste deel van de groenten is naar Duitsland gegaan voor redelijke prijzen.

Piet en Jans verhuisden naar Pajeti omdat de zendingsarbeider voor Noord Oost Sumba, Ds Lambooij, met verlof in Nederland was.  In 1939 hadden Piet en Jans, na een werkperiode van 7 jaar, recht op hun eerste verlof. Zij lieten echter de familie Lambooij, die 4 kinderen in Nederland had, in hun plaats met verlof gaan. De zorg voor Zuid Oost Sumba berustte bij Ds Goossens. Hij was gestationeerd in Melolo.

Hun eerste en enige kind, Lucie, werd in november 1940 geboren in Pajeti. Op 8 december 1945 schrijft Piet daarover in een brief aan Piet en Annie Lambooij? "Je begrijpt dat in ons leven in Pajeti onze Lucie een grote rol gespeeld heeft. We zijn er zo blij mee! Zij werd 4 november 1940 geboren en enkele weken later door mij gedoopt. Wat hebben we genoten dat eerste jaar. Het is nu al een flinke meid van 5 jaar." (zie pagina 2)

In 1941 (?) verkocht Piet zijn postzegelalbum om een bijdrage te kunnen leveren voor de aanschaf van vliegtuigen. Het ging waarschijnlijk om de aanschaf van gevechtsvliegtuigen voor de verdediging van Nederlands IndiŽ (herinnering Jans in April 2000).

De oorlog met Japan begon op 7 december 1941, met de Japanse aanval op Pearl Harbour. In februari (?) 1942 vielen de Japanners Nederlands IndiŽ binnen. Na een korte strijd capituleerde het Nederlands Indisch gezag op 8 maart 1942. Pas op 14 mei 1942 arriveerden de eerst Japanners op Sumba.

Begin1942 was Guru Injil Hapubai, broer van de latere Ds Ratoebanjoe, door Piet tot predikant van Oost Sumba bevestigd. In West Sumba werd door Wybe van Dijk een tweede Soembanese predikant bevestigd. (Met toestemming van Nederland? Wel veel contact met kerken op Java.) Ds Hapubai werd later door de Japanse bezetters onthoofd.

Japanse bezetting

"De 14e Mei landden de Japanners op Soemba. De mannen werden terstond gevangen gezet; de vrouwen en kinderen volgden spoedig. Na twee maanden van nare gevangenschap werden allen op een schip gezet en naar Makassar gebracht, waar men de 19e Juli aankwam. Ze werden ondergebracht in een burgerinterneringskamp, vanwaar de 23ste Augustus de vrouwen en kinderen weggevoerd werden naar een groot vrouwenkamp te Malino, 60 km van Makassar, terwijl eind September alle mannen naar Pare Pare werden gebracht, gelegen 150 km ten N. van Makassar.

De vrouwen moesten Mei 1943 verhuizen naar Kampili, 25 km van Makassar. Dit kamp werd in Juli 1945 door de Geallieerden gebombardeerd tengevolge waarvan het volkomen afbrandde, zodat de bewoners, van alles beroofd, in een noodkamp moesten worden ondergebracht. Nadat het kamp in October 1944 al was gebombardeerd, werden de mannen ultimo Mei 1945 van de kust weggevoerd 250 km het binnenland in, waar achter in de Toradja-landen een hongerkamp was ingericht."

(citaat uit: De Zending op Soemba (1949), pagina ..: "Europese Zendingsarbeiders meegevoerd. Zie verder beknopt overzicht dat Piet in 1946 schreef in zijn publicatie 'Zeven jaar zending op Sumba'.

Bij aankomst in masaar (juli 1942) liep Lucie naar het naastliggende mannenkamp om vader Piet te zoeken. Andere vrouwen drongen er bij Jans aan om haar tegen te houden, maar ze liet haar gaan.

In een brief aan Jans d.d. 4 september 1945 gaf Piet een overzicht van zijn kampperiode.

Tijdens de kampperiode konden Piet en Jans -zowel officieel als illegaal- nog wel enkele berichten aan elkaar sturen. In de officiŽle correspondentie moest de Maleise taal (voorloper van Bahasa Indonesia) gebruikt worden. Bewaard gebleven zijn officiŽle, getypte brieven van Jans aan Piet uit maart, april en mei 1944. Daarnaast is er een handgeschreven briefje van Piet aan Jans d.d. 5 september 1943. Jans slaagt er ook in om door Lucie gemaakt plak- en vlechtwerk op te sturen.

Voor een zeer gedetailleerd verslag van de laatste periode in het kamp, het verblijf in Makassar, en daarna in Batavia, tot aan het vertrek naar Nederland, zie Piet's dagboek 1945. Dit dagboek beslaat de periode 21 augustus 1945 - 30 mei 1946.

N.B. Een bewaard gebleven schriftje met aantekeningen van Piet uit het kamp bevat o.a. een volledige lijst van geÔnterneerden, alsook informatie over de opzet en uitvoering van het pastorale werk.

In het kamp maakte hij ook kennis met Amerikaanse zendelingen van de Christian and Missionary Alliance. Zij maakten diepe indruk op Piet, met name vanwege hun grote nadruk op het gebed. Hij name ook -samen met enkele andere Nederlanders- deel aan een gebedskring. Enkele CMA-medewerkers kwamen in het kamp om het leven. In februari 1946 schreef Piet een In memoriam onder de titel 'God kiest de besten'.

Chronologisch overzicht van verblijf in Japanse gevangenschap

(19) juli 1942: Piet aangekomen in Makassar; evenals Jans en Lucie. Op 26 juli kon Piet nog een kerkdienst leiden in het vrouwenkamp.

23 augustus 1942: Jans naar vrouwenkamp Kampili, bij Malino, 60 km van Makassar

Eind september 1942: Piet naar Pare-Pare, 150 km ten noorden van Makassar

Eind oktober 1944: bombardement door geallieerde vliegtuigen; gevangenen overhaast overgebracht naar rivierdal 8 km buiten Pare-Pare

Januari 1945: Piet maakt testament

April 1945: geallieerden landen op Tarakan (Borneo); gevangenen worden nu per truc 250 km het binnenland ingevoerd naar Bolong, een plaats gelegen 50 km achter de laatste bestuurspost (Makale)

27 augustus 1945: vertrek uit hongerkamp te Bolong

27 augustus - 8 september 1945: verblijf in kamp te Pare-Pare

5 - 14 september 1945: Jans opgenomen in ziekenhuis Stella Maris (in Makassar) i.v.m. dysenterie

9 september 1945: eerste ontmoeting met Jans in Stella Maris (in Makassar). Van haar een foto gekregen met daarop Jans  en Lucie, op 31 augustus (?) gemaakt door een Japanse fotograaf

12 september 1945: Piet's eerste ontmoeting met Lucie na gevangenschap

8 september 1945 - begin maart 1946: verblijf in Makassar; eerst in school (oud ziekenhuis), daarna op 15 september in huis Bessyweg 39 waar ook de families Mobach en Krijger zijn ondergebracht.

5 november - 15 december 1945: Piet opgenomen in ziekenhuis i.v.m. dysenterie

9 maart 1946 vertrek naar Batavia

23 mei 1946 vertrek naar Nederland op m.s. Tegelberg

17 juni 1946: aankomst in Amsterdam

Vrouwenkamp Kampili

Motto uit Indie-herdenking 2001: Vrouwen zijn net als gras. Vandaag plat getrapt, morgen weer overeind.

Om een indruk van de opzet van het kamp Kampili te krijgen zie de plattegrond van kamp. Volgens Jans was het een vroeger sanatorium.

Enkele herinneringen van Jans Luijendijk aan het kamp.

(1997) uitspraak van Lucie in het kamp in Kampili: Ze zag het sterrenbeeld Orion (aan de noordelijke hemel) en zei tegen haar moeder: "Die sterren zijn vast vriendjes van elkaar, want ze staan altijd bij elkaar."

De nonnen in het kamp vonden het prachtig dat Lucie als tweede naam Maria had.

(April 2000; in haar herinnering terug gekomen na een bespreking door Ds van Roest van zijn bezoek aan IsraŽl): tussen loods 6 en loods 7 woonde een joods gezin in een apart huis. Zij mochten van de Jap hun eigen eten klaar maken. Ze aten dus niet mee uit de centrale keuken. 'Het zit me dwars dat ik niet meer van hun leven weet'. In het kamp kwam ze pas in aanraking met zendingsarbeiders van andere kerken. Toen ging haar wereld pas open.

Jans zat met andere zendingsvrouwen in loods 11; in loods 12 zat Mw Hofker, die o.a. tekeningetjes van Lucie maakte.

Jans was verantwoordelijk voor het schoonhouden van een deel van het kampterrein. Deze groep moest ook de doodskist met een overledene naar het graf dragen. Als leidster van de schoonmaakploeg moest zij samen met anderen soms bij de kampcommandant komen.

De leidsters van de werkgroepen werden soms door de commandant uitgenodigd om bij hem te komen eten. Volgens moeder was hij eenzaam, verlangde naar zijn gezin in Japan. Hij was een redelijk mens. Als hij -bij voorbeeld door een externe controle- onder druk of kritiek stond kon hij dat afreageren op de kampbewoners (zie boek van Remco Raben). De kampen op Sulawesi vielen onder de Japanse Marine, zulks in tegenstelling tot de kampen op Java en elders die onder het leger vielen. De situatie in de kampen van de Marine was beter (zie boek van Remco Raben).

Hij nodigde hen ook wel eens uit voor een maaltijd, die hij dan zelf klaar maakte. Jans nam dan een bakje op haar schoot mee waarin ze stiekum wat eten voor Lucie kon meenemen. Volgens Ineke Alkema-Berg (1931), die in hetzelfde kamp zat, kwam Jans ook wel eens met rode wijn terug en stelde die beschikbaar voor het Avondmaal in de 'kerk'. 

Jans had altijd een stok bij zich, o.a. om honden met hondsdolheid van zich af te kunnen slaan. Als ze door de kampcommandant opgeroepen was om bij hem te komen gooide ze de stok weg om niet -als hij kwaad op haar was- met de stok geslagen te worden.

Ze werd een keer door een kwade hond aangevallen. Die beet haar echter in haar schoen. Zij slaagde erin hem met zijn andere voet weg te schoppen. Diezelfde (of de volgende) dag werd een meisje door een hond gebeten, waarna ze overleed (aan hondsdolheid). Een van de volgende dagen zag moeder dezelfde hond lopen en realiseerde ze zich dat ze aan een groot gevaar ontsnapt was. Op zekere dag werd een vrouw uit een andere deel van het kamp dood werd aangetroffen. Ze bleek overleden te zijn aan hondsdolheid. Uit een nagelaten brief bleek dat ze de hond die het kind had aangevallen dood geslagen had, maar daarbij een wond had opgelopen worden.

Tijdens haar werkzaamheden moest iemand anders op Lucie passen. Jans had met Sien Mobach afgesproken dat zij voor Lucie zou zorgen als Jans iets zou overkomen. 

Het bombardement: Jans kon niet voor Lucie zorgen omdat zij de zorg had voor haar terreintaken, waaronder blussen e.d. De vrouwen zagen nog kans om een grote drum met rijst te redden en naar het bos te brengen zodat er te eten was. Lucie was -volgens afspraak- onder de hoede van Sien Mobach.

In het kamp kwam soms hondsdolheid voor, waarvan kinderen en volwassenen het slachtoffer werden. Jans herinnert zich dat ze eens door een dolle hond aangevallen werd. Terwijl de hond op haar ene been afkwam schopte ze hem met de klompschoen aan haar andere voet van zich af. Het liep goed af, de hond had alleen zijn tanden in de schoen gezet. Een dag later werd een kind door een hond (dezelfde?) gebeten en overleed. Ineke Alkema-Berg herinnert zich (november 2002) dat ze Jans op het terrein tegenkwam en een praatje maakte. Terwijl ze stonden te praten kwam een dolle hond op hen af. In een flits trok Jans een klompschoen uit en stak die in de bek van de hond. Een dolle hond laat dan niet meer los en liep dus met de klompschoen in zijn bek weg. Ineke had er verstijfd bij gestaan. Moeder Jans ontkent dat dit verhaal zo gebeurd kan zijn.

Jans was zeer gesteld op de predikant/timmerman Spreeuwenberg. Hij was voor zijn kampperiode als zendeling werkzaam op Nieuw Guinea. Hij maakte ook de doodskisten.

Twee voorbeelden hoe verschillend menselijke ervaringen kunnen zijn (zie ook het boek Over de meelstreep, 2001):

1)     Eppie en Wieke hadden een veel slechter oordeel over de Japanse kampcommandant dan Jans

2)      Ook waren zij veel negatiever over de preken/kerkdiensten van de Nederlandse kamppredikant, tevens timmerman, die tevoren in de zending op Nieuw Guinea had gewerkt.

Makassar 1945/46: naar Sumba of naar Nederland?

Piet en Jans staan voor een enorm dilemma. Piet gaat het liefst zo snel mogelijk terug naar Sumba. Zijn ziekte maakt dit echter onmogelijk. Jans lijkt de voorkeur te geven aan een verlofperiode in Nederland.

De brief van Piet aan Jans d.d. 26 november 1945 geeft inzicht in zijn worsteling en de argumenten die bij hem een rol spelen.

Op 8 december 1945 schrijft Piet een brief aan Piet en Annie Lambooij? (zie pagina 1, 2. en 3) waarin o.a. de gebeurtenissen op Sumba voor hun internering beschreven worden.

Herinnering Jans in april 1995: In 1945 schreven mijn ouders naar Makassar: "Als 't nodig is gaan jullie dan maar naar Soemba. De dokter verbood het echter gezien Piet's amoebe dysenterie."

Terugkeer naar Nederland

(Herinnering Jans d.d. Augustus 2001): op de reis van Makassar naar Nederland werden Piet, Jans en Lucie in Batavia/Jakarta van boord gestuurd omdat Lucie nog geen mazelen gehad had. Op een eerdere bootreizen naar Nederland waren t.g.v. een uitbraak van mazelen aan boord 7 kinderen overleden en op zee begraven. Pieten en zijn gezin werden in Batavia/Jakarta ondergebracht in een 'garage' en kreeg te eten (op kosten van ....?). Het lukte maar niet om een plaats op een boot te krijgen. Andere Nederlanders, werkzaam (geweest) bij plantages, fabrieken, banken, etc- konden aan de scheepvaartmaatschappij smeergeld betalen. Piet en Jans niet. Hoewel men hen bij de scheepvaartmaatschappij eigenlijk niet te woord wilde staan besloten ze samen elke dag naar het scheepvaartkantoor te gaan. Eind mei 1946, na bijna 3 maanden wachten, konden ze eindelijk met de m.s. Tegelberg naar Nederland reizen. Op terugreis kregen ze in Aden (?) nieuwe kleren voor Holland (juni 1946). De kleren kwamen volgens Jans uit de U.S.A. Ze zag in Holland wel eens een andere vrouw met dezelfde mantel lopen als zij gekregen had.

Voor meer details, zie dagboek PJL 1945.

In .... voeren ze op een schip naar Duitsland (Hamburg?). Vandaar konden ze per trein (betaald door de Zending?) naar Nederland reizen. Aan boord hadden ze kennis gemaakt met twee nonnen die indertijd 'onder ede' beloofd hadden voor hun hele leven naar IndiŽ te gaan, maar nu -na de oorlog- toch de gelegenheid kregen om een bezoek aan Nederland te brengen. (Slaat deze herinnering van Jans niet op andere reis?)

Toen ze in juni 1946 in Nederland terugkwamen (na 14 jaar afwezigheid!) konden ze logeren bij de ouders van Jans in Berkel. Lucie vroeg bij aankomst in Berkel meteen aan Oma:"waar is het wagentje?" Het betrof het poppenwagentje dat Oma op zolder opgeborgen had toen Jans in verwachting was. Jans zei jaren later: "Lucie had niets beters kunnen vragen."  

Ze kregen voor hun kleine gezin het gebruik van de logeerkamer. Die werd vroeger ook gebruikt door predikanten van buiten die zondag in Berkel kwamen preken. In 2002 herinnert Jans zich nog dat ze - toen ze in 1946 weer voor het eerst - die kamer binnenkwam en het bed zag dat voor hen klaar stond vroeg: "moet ik daarin slapen?" Zo'n opgemaakt bed stond zo ver af van haar ervaringen in het kamp en daarna, o.a. ook op de boot van Batavia naar Nederland, dat ze gedachte daarin te moeten slapen haar afschrikte. 

Jans herkende haar zussen niet meer. Ze logeerde bij haar ouders in Berkel en was blij als iemand zei "daar komt die en die aan", dan wist ze tenminste wie er op bezoek kwam en hoefde ze niet beschaamd naar de naam te gissen.

In Berkel werden in 1946 de getoonde foto's gemaakt.

Literatuur over oorlogs- en kampperiode

        Handgeschreven dagboek PJL van augustus 1945 - eind mei 1946 (Dagboek PJL 1945)

∑        Getypt document "God kiest de besten uit" (In memoriam R.C. Deibler, R.A. Jaffray, W.T. Presswood), Februari 1946 (God kiest de besten uit)

∑        P.J. Luijendijk, Zeven jaar Zendingswerk op Soemba 1939-1946, J. Niemeijer's Uitgeversmij. Groningen, 1946

∑        Gereformeerde Zending op Sumba 1859-1972 (Th. van den End, 1987); bronnenpublicatie bevat o.a. brieven van Wybe van Dijk, Bergema, Berg, e.a.

∑        Remco Raben, Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië (Persoonlijke getuigenissen en publieke beeldvorming in Indonesië, Japan en Nederland), Waanders & NIOD, 1999

∑        Jo Manders, De lach uit leed geboren (Herinneringen uit de Japanse concentratiekampen voor vrouwen en kinderen), uitgegeven in eigen beheer, 19?? Met daarin artikel uit Trouw 3 mei 1975 met interview van Mw Joustra, leidster van het vrouwenkamp Kampili

∑        Tineke Stolk en Pim Seth Paul, Hoe het ons verging ... op Zuidwest Celebes en omliggende eilanden, uitgegeven in eigen beheer, 198x. Jans Luijendijk-Klapwijk wordt genoemd op de pagina's 91, 128, 180, 191 (!), 203, 205, 212, 223, 225, 229, 230, 302, 314, 341, 374