Home Contact Sitemap familieboom
Hoofdpersonen:
Meer informatie

 

 


Klapwijksevaart (linksachter het huis van familie Dirk en Maartje Klapwijk-Verhoeff) De foto 'kijkt' in de richting van Berkel, dat is ter plekke ongeveer zuidwaards. Het puntdak rechts is Klapwijkseweg 39, later 41, het huis waar Jasper Klapwijk in 1929 kwam wonen. de tuin ligt erachter en ligt op de 'polderbodem' dat is twee meter lager dan de weg. Hetzelfde gold trouwens voor de tuin van het huis linksachter aan de andere kant in de Meerpolder, al was die iets minder diep.

 

Huis Klapwijkseweg 50. Dit huis ligt dus direct aan het water

Marmeren plaquette

 

 

 Klapwijk - Dirk (1865 - 1950)

Loopbaan

Tuinderij

Vader Dirk verkocht in zijn jeugd m.b.v. kruiwagen groente (radijs) langs de deuren. Later werd hij tuinder. 

Vader kweekte ook druiven en maakte zelf wijn (voor eigen gebruik). Volgens Jans was het lekkere wijn. 

Bij het weiland aan de Meerweg stond het paard dat gebruikt werd voor het koetsje (waarmee men op zondag naar de kerk ging) en de sjees (waarmee speciale bezoeken werden afgelegd).

Bij dit weiland bevond zich ook een kas waar Dirk perziken kweekte; alleen voor eigen gebruik.

Toen Dirk stopte werd het bedrijf opgedeeld tussen Arie Sonneveld (achterste deel) en Leen Klapwijk. Leen emigreerde in 1947 naar Canada; Jaap van Etten kwam toen in zijn plaats.

Dirk en Maartje woonden eerst in de twee meest zuidelijke huisjes van de rij arbeiderswoningen die op de tuin stonden. De laatste twee van de totaal vier waren samengevoegd met waarschijnlijk een binnendoorgang. Dit huis dat het dichtste bij het latere huis Klapwijkseweg 50 (zie hiernaast) stond, was dus groter dan de andere twee.

Deze twee siamese-tweeling-huisjes zijn later weer gescheiden en afzonderlijk bewoond. Dus na1908. Rond 1940 woonde tante Mien (een van de de jongsten) met oom Jaap van Etten in het zuidelijkste en woonden in de andere drie huisjes van noord naar zuid: Jan Voogt, Mos Bouwmeester (die 1e knecht bij Jasper Klapwijk was) en Bas van Etten, een broer van Jaap.

Op Oudjaar werden oliebollen gebakken in de schuur bij buurman Verweij

Met Nieuwjaar kwamen de knechten op de tuinderij hun nieuwjaarswensen aanbieden. Jans kreeg dan van Vader een stel zilveren munten (guldens?). Bij het weggaan moest ze iedere knecht dan een munt in de hand stoppen. Ze heeft daar de laatste jaren van haar leven moeite mee. In het algemeen zegt ze: "wat hebben we de arbeiders weinig laten meegenieten".  

Vader voor 't land (links van 't huis)

Moeder bij kippenhok

Huis aan de Klapwijkseweg in Berkel

Vader Dirk en Moeder Maartje woonden aan de Klapwijkseweg 50. Zoon Jas mocht op 15 april 1908 de eerste steen leggen voor het huis onder de spreuk ‘Rehoboth’. Er werd een marmeren plaquette in de vestibule aangebracht (zie foto). De plaat is bij de sloop van het huis in handen van een achternichtje gevallen.

Achter het huis no.50 was een bijkeuken met een schuur voor de fietsen e.d. Dan een kippenhok met een ‘bleek’, dat is een grasveldje om witgoed na de was te bleken. 

De kippen waren Moeder Maartje's domein. Ze hield van elke kip nauwkeurig de productie bij.

Daarachter een schuur voor het bedrijf en daarachter een varkensschuur. De varkens werden door Jasper verzorgd en hadden als nevenvoordeel de mest die op het bedrijf werd gebruikt voor broeien (warmte) en bemesting (na vertering).  

In de schuur stonden het koetsje en de (tweewielige) sjees.

Achter de varkensschuur stond een klein gashoudertje van misschien 3 m doorsnede voor moerasgas uit de grond. Dat is in de 2e W.O. ook weer gebruikt. Deze vorm van energievoorziening was trouwens niet uitzonderlijk in die buurt.

In het huis aan de Klapwijkse weg waren in de keuken (?) twee pompen. Eén pomp haalde water uit de vaart voor het huis; de andere leverde regenwater. Dit was dus eigenlijk een vroege vorm van een dubbel watersysteem in een woonhuis. De was werd overigens in de vaart gespoeld. Later werd naast de pomp een waterleidingkraan aangelegd.

Ze hadden telefoonnummer 17. Om met iemand te kunnen bellen moest je verbinding aanvragen bij 'het kantoor', waar de telefoniste zat. Het oproepen van de telefoniste ging door het draaien aan de zwengel van het telefoontoestel.

Als het (gas)licht dimde zei Vader Klapwijk: ga 's op de ketel zitten. De gasketel bleef soms in de put haken waardoor de gasdruk teveel zakte om de lampen van voldoende gas te voorzien. Het moerasgas werd in de put onder de ketel opgevangen. De put lag achter in de tuin, vlakbij de sloot (waarin je gas zag opborrelen). Het gas werd gebruikt om te koken en voor verwarming en verlichting. Op elke slaapkamer was een gaskraantje waar zonodig een 'kacheltje' aangesloten kon worden. Deze slaapkamers waren overigens meestal onverwarmd.

 

Hulp in de huishouding: Dirkje Stougie. Jans Klapwijk en Dirkje konden erg goed met elkaar opschieten.  

Buren waren (volgens Jans, 2002) o.a. de families Verweij en Vermeer.

Volgens Dirk Klapwijk: Vermeer (mijn opa van moeders kant!) op 42. Dan twee arbeiderswoningen 44-46 en dan Verweij 48 , Klapwijk 50 en vervolgens de 4 arbeiderswoningen, zie boven.